Stichting Kasih Bunda
tot steun van te Jakarta gevestigde stichting met een sociaal doel

Portret van Jeanne Marie Tumewu.

(2 juni 1933 - 20 september 1994)

"Op 2 juni 1933 ben ik in Jakarta geboren en kreeg de naam Jeanne Marie Swart. In de wijk Raden Saleh ben ik opgegroeid en heb er behalve een korte periode in Singapore, altijd gewoond. Het gezin waarin ik opgroeide en mijn hele familie kun je met recht een gevarieerde groep mensen noemen: Hollanders, Indonesiërs en zelfs een Duitse overgrootvader, maken er deel vanuit."  

"Mijn vader was een gemeente ambtenaar, maar werkte gedurende de tweede wereldoorlog voor het Rode Kruis. Dit is naar alle waarschijnlijkheid de reden, dat de oorlog vrij onopgemerkt, voor zover mogelijk, aan ons voorbij gegaan is, terwijl vele buren, kleurlingen zoals wij, opgepakt en vermoord werden.
In 1945 kwamen we toch nog in een interneringskamp terecht. Gelukkig slechts 10 dagen. Daarna werden we per schip naar Singapore gebracht. Wij, kleurlingen en de Nederlanders, zouden naar Europa geëvacueerd worden, omdat de toestand in Indonesië voor ons te onzeker was. Onderweg naar Singapore brak een mazelen epidemie uit. Na de quarantaine kwamen we in een opvangkamp terecht. Door wat ik daar, als twaalf jarige, gezien heb, heb ik het leven leren kennen. In het kamp leerde je al gauw de handen uit de mouwen te steken. Er waren veel zieken en gewonden. Ik maakte deel uit van de verpleging en leerde me met weinig hulpmiddelen te redden. Mijn Kamptijd heeft een stempel op me gedrukt. Die tijd is beslissend geweest voor mijn verdere leven.

Onder de bewoners van het kamp waren ondervoede en zieke vrouwen met hun kinderen, die reeds een lange en moeilijke periode in het Japanse vrouwenkamp hadden doorgebracht, gescheiden van hun echtgenoten. Deze mannen werkten aan de Birma spoorlijn, die de dodenlijn genoemd werd. Velen zijn van honger en uitputting omgekomen. De overlevenden voegden zich bij ons in het kamp. Het uiterlijk van deze uitgemergelde mannen was onbeschrijfelijk. Zo ook het weerzien van gezinsleden. Veel vrouwen wachtten echter tevergeefs. Hartverscheurende taferelen waren vaak het gevolg.

Na ongeveer een half jaar verlaat familie Swart het opvangkamp in Singapore. Ze reizen echter niet door naar Nederland maar gaan terug naar Jakarta, waar Jeanne’s vader zijn vroegere betrekking terug krijgt. Na een lange onderbreking gaat Jeanne weer naar school. Ze heeft een behoorlijke achterstand en komt als 13 jarige in de derde klas. Ze haalt de achterstand echter snel in en doorloopt achtereenvolgens de lagere school, voortgezet onderwijs en de kweekschool. Ze geeft twee jaar les, ruilt haar baan als onderwijzeres in voor een wat beter betaalde kantoorbaan. In 1953 vertrekt het gezin Swart naar Nederland. Jeanne gaat niet mee, daar ze haar toekomstige man heeft leren kennen en blijft dus in Indonesië.   

"Maynard, mijn man, komt uit Manado op Sulawesi (Celebes). Zijn vader is een Chinees, zijn moeder een Sulawesische. Hij gebruikt zijn moeders naam Tumewu. Een Chinese naam geeft allerlei problemen. Met zijn familieleden hebben wij een goede verstandhouding. Samen runnen ze een transportonderneming. Maynard doet het kantoorwerk voor de firma.”  

  • Jeanne bij kampong
  • Kampong
  • Kampong

Hulpactiviteiten

Naast de zorg voor het gezin blijft Jeanne zich bekommeren om de medemens, die hulp nodig heeft.
“In 1953 brak in een kampong brand uit. De uiterst brandbare huisjes gingen snel in vlammen op. Ik heb met eigen handen oude mensen uit hun brandende huis gehaald. Ze woonden illegaal op die plek, dat gaf dus grote problemen en hulp was dringend noodzakelijk.
In 1960 brak in de kampong direct achter de Raden Saleh ook hevige brand uit. In hun paniek gooiden de bewoners hun hele hebben en houden in de afwateringskanalen die door de kampong liepen. Ze verloren alles, velen ook hun identiteitspapieren. Drie maanden lang heb ik voor deze mensen een gaarkeuken gehouden. Eveneens hielp ik ze bij het vervangen van hun identiteitspapieren”


“De mensen in de kampong weten al gauw bij wie ze aan moeten kloppen.”

Toen enkele jaren na de brand in het woongebied afwateringskanalen aangelegd werden, ontfermde Jeanne zich over de arbeiders: ”Dat waren werkelijke arme mensen. Ze kwamen van ver en werkten onmenselijk hard. Zonder mechanische hulpmiddelen versleepten ze de zware betonwanden en verwonden zich daarbij regelmatig. Er was zelfs niet voor een eenvoudig onderdak gezorgd. Bij ons thuis konden ze zich wassen en ik verzorgde, waar mogelijk, hun verwondingen, deelde medicijnen uit en kookte voor ze. Mijn buurtbewoners heb ik voorgesteld ons voor wat betreft het koken te helpen, door regelmatig af te wisselen. Zij hadden toch ook voordeel van de kanalisatie. Ze trokken hun neus op en weigerden. “Waarom zou je je om koelies bekommeren.”  Zolang de arbeiders er geweest zijn heb ik het alleen gedaan.”
Intussen had Jeanne een naaischool opgezet. Veertien- en vijftienjarige meisjes uit de krottenwijken leerden knippen en naaien van haar. Na de opleiding kregen ze van Jeanne een eigen naaimachine, zodat ze zelfstandig als coupeuses aan het werk konden en een inkomen hadden. Ongeveer 20 meisjes heeft Jeanne zelf opgeleid. Daarna nam een oud leerling de opleiding over.
“De naailessen gaf ik bij mij thuis. Ons huis was altijd vol met pleegkinderen, die samen met onze eigen kinderen opgroeiden. De kinderen kwamen overal vandaan. Wij namen ze bij ons, zodat ze in onze wijk naar school konden gaan. In het totaal waren er rond de 30. Nu hebben ze allemaal het huis verlaten en zijn ze zelfstandig. Mijn man en de andere kinderen ondersteunen mij ten volle met dit werk.”
De laatste jaren zijn er veel jonge gasten in het gezin Tumewu geweest, ook kinderen uit het tehuis, die daar niet konden wennen en gezondheidsproblemen vertoonden, werden door het gezin liefdevol opgenomen. In de huiselijke kring en door persoonlijke toewijding van de huisgenoten bloeiden de kinderen snel op. Umar, bijvoorbeeld, een kleine jongen, waarvan vermoed werd dat hij een hersenbeschadiging had, bleef twee en een half jaar in het gezin. Maynard draagt zijn foto nog altijd bij zich.
Na de adoptiestop in 1983 nam Jeanne 15 kinderen (baby’s) in huis. Om deze kinderen te kunnen herbergen ontruimden de Tumewu’s hun eigen slaapkamer. Het huurhuis, waar het gezin Tumewu woont, telt 4 kamers, een keuken, een badkamer met toilet en een binnenplaats. In een kamer is airconditioning. Het hele huis mist het comfort wat wij zo gewend zijn. Jeanne: “Voor ons was het behelpen, maar het deed de baby’s goed.”

Start van de (financiële) adoptie

Hoe is Jeanne aan haar huidige bezigheden gekomen?
Ze antwoordt:
"Zoals meestal, met een omweg en door toeval. Van 1970 tot 1975 werkte ik als reisleidster bij de Nederlandse stichting S.O.C. (Stichting Overzeese Contacten). Deze stichting had tot doel de contacten tussen Nederland en Indonesië te verbeteren en organiseerde o.a. reizen voor Indonesiërs die in Nederland woonden en heimwee hadden. Enkele jaren geleden hielp ik de mensen nog de benodigde papieren in orde te maken, zodat ze naar Nederland konden emigreren, nu kwamen de mensen uit Nederland naar Indonesië. Ik werkte als gids in Jakarta en soms moest ik groepen uit Singapore afhalen. In deze tijd bemiddelde ik mijn eerste adoptie. De sultan van Pontianak, die ik kende, vroeg mij behulpzaam te zijn. Zijn dochter, die in Nederland woonde, wilde graag een Indonesisch kind adopteren. Omdat adoptie toen in Indonesië nog een vrij onbekend verschijnsel was, informeerde ik in ziekenhuizen, of er een kind afgestaan was. Het resultaat was dat ik niet één, maar tien baby’s in huis kreeg. Teruggeven was natuurlijk onmogelijk, daarom verzorgde ik ze thuis. Na de eerste adoptie volgden er meer aanvragen uit Nederland. De contacten liepen daar via een sociaal werkster. Enige tijd daarna ben ik een eigen tehuis begonnen. Onze verschillende opvattingen (Jeanne – S.O.C.) met name wat betreft de opname van kinderen in mijn huis, hadden in 1978 een verbreking van de relatie tot gevolg. Adoptie in Indonesië kan niet vanuit Europa voorgeschreven en geregeld worden. Deze adopties zijn een Indonesische aangelegenheid en vragen veel gevoel voor en kennis van de verhoudingen in Indonesië."

Jeanne's levenswerk .

Als laatste nog twee vragen:
Waarom doe je dit werk?
Welke dingen bezie je positief en welke negatief?

"Waarom ik het doe heb ik mezelf al vaak afgevraagd. Ik had een probleemloos leven kunnen hebben. Behalve de jongste, zijn mijn kinderen opgegroeid en Maynard heeft een vaste en zekere baan. Waarom dus? Ondanks moeilijkheden en teleurstellingen geloof ik in het goede in de mensen. Ik geloof, dat je als mens en als christen de taak hebt je om je medemens te bekommeren.  De mensen en kinderen, die ik geholpen heb, gaat het daarna hopelijk wat beter. Ook als de hulp maar een druppel op de gloeiende plaat is moet men het daarom niet nalaten. Zeker is dat niet alles even geslaagd is geweest, maar ik heb er geen moment spijt van gehad. Alles heeft een functie vervuld. De naaischool bijvoorbeeld, was een fijne zaak, die ik graag zelf voortgezet had. Ook de verzorging van de kinderen beschouw ik als een succes, het doet je goed te zien hoe ze opbloeien. De bezoeken in de gevangenis stellen me ook in de gelegenheid om te helpen en het lot van de gevangenen doet me beseffen hoe goed wij het hier hebben. Tegenover adopties sta ik positief, daar ouders en kinderen samen gelukkig worden.
Daartegenover staan ook negatieve zaken: De vaak zo moeilijke verhouding met de officiële instanties. De onverschilligheid van veel mensen ten opzichte van armoede en nood van hun medemensen. Het onbegrip voor mijn werk en mijn motieven daarvoor. Verdachtmakingen en soms zelfs tegenwerking van het eigen personeel. Niet iedereen is sociaal bewogen, velen werken alleen voor eigenbelang. Dat maakt het werk niet altijd even makkelijk."

Aanvulling op het interview.

Het bestuur van stichting Kasih Bunda hebben Maynard als een sympathieke en bescheiden man leren kennen en op waarde leren schatten. Hij is de rustige tegenpool tegenover Jeanne’s temperament. Achter de schermen verzet hij veel werk voor de stichting. Hij is een grote steun voor Jeanne. Jeanne trouwde in 1955 met Maynard en samen kregen ze vijf kinderen, twee zoons en drie dochters.  Jeanne is overleden op 20 september 1994. Maynard is overleden op 20 juni 2015